Preek 7 juni Voorschoten Gen 9:1-17 en Joh 17:1-13
Een goed verhaal begint als een regenbui. Eerst zijn de voortekenen zichtbaar voor wie er acht op slaat. Het komt niet zomaar uit de lucht vallen. De hele natuur spreekt mee voor het losbarst. Donkere woken wijzen op een verandering in atmosfeer. Een goed verhaal doet ons midden in de kern van de boodschap belanden. Neemt ons mee opdat we weten dat ook wij zijn aangesproken, opdat ook onze atmosfeer verstoord wordt. Zowel bij Genesis als bij Johannes hoorden we vanmorgen van een God die zo liefdevol en sterk is, dat wonderen en felle strijd het goede nieuws wereldkundig maakten: de Heer is de enige God, de enige ware God en Jezus zijn zoon in wie zijn grootheid zichtbaar geworden is. Deze boodschap is zo kernachtig, dat daarmee het eerste en laatste woord gesproken is. Wie dit kan verstaan, heeft geen andere woorden nodig. Lijkt het. Want na Genesis volgen er nog 38 Oudtestamentische Bijbelboeken. Die allen verhalen, stormenderwijs of rustig vertellend, van dit grootse en hemelse: Ik ben de Heer uw God. En menselijkerwijs hebben we beelden nodig die dit enige, geruststellende, in alle verschillende vormen ons steeds opnieuw weer kunnen vertellen. Het beeld van een regenboog die een heilige afspraak, een verbond, tussen god en mens weerspreekt. Een beeld van een ark, symbool voor het geredde leven. Beelden van mens en dier en hun wijze van samenleven. En verder wandelend in de voetsporen van deze geschiedenis van God met ons – het beeld van Jezus’ Hemelvaart.
De vertelling van Johannes is een gebed, dat Jezus tot zijn Vader richt, ten overstaan van zijn leerlingen, als zijn uur is gekomen. Met Hemelvaart vers in ons geheugen, blikken we als het ware even terug naar de aankondiging van Jezus’ lijden. Omdat zich daar alles samenpakt: de begrippen eeuwig leven of Gods’verbond worden pas gevuld en gevoeld als we zijn sterven eerst doorgronden. Een collegadominee zei deze week na het vieren van een Hemelvaartsdienst: ja, we zitten er eigenlijk mee. Pasen is duidelijk Jezus sterven en opstanding, met Pinksteren vieren we onze opdracht in de wereld, maar Hemelvaart, dat zit er maar zo’n beetje tussenin. We zitten met die afstand.
Een afstand tussen belofte en werkelijkheid. Een afstand tussen toen en nu. Een afstand tussen heden en toekomst. Verdriet dat nog voelbaar is, wij hebben het met Pasen mogen meebeleven. De noodzaak van het lijden van Jezus aan het kruis. Het verdriet van de leerlingen, van Maria, die werden achtergelaten in een vijandige wereld. Dan de overgang naar Paasmorgen, waar de vreugde het laatste woord heeft. Die overgang is niet gemakkelijk te maken. Er is letterlijk een afstand overbrugd: van het kruis naar de opstanding. En tot het feest van Pinksteren, leven we nog in een tussentijd.
Een tijd waarin ons geloof aarzelt tussen wanhoop en hoop. Tussen belofte en ongeloof. De opstanding, na drie dagen, dat is werkelijk een Godswonder. De hele bijbel is doortrokken van dit wonder: alle Jezusverhalen leiden naar dit punt: Jezus is voor ons gestorven en opgestaan. Dat is wat het Paasverhaal tot het meest christelijke verhaal ooit maakt. Dat is waarom het meer dan een verhaal is. Er zijn veel mensen die zeggen problemen te hebben met dit opstandingsverhaal. Is het wel echt gebeurd? Het is te mooi om waar te zijn… Wat maakt het voor verschil als ik het niet geloof? Alles. Ik durf te zeggen dat de opstanding de kern van ons christelijk geloof is.
De opstanding van Jezus en zijn Hemelvaart vertelt ons dat er hoop is. Dat God zijn belofte waar maakt. Dat wij Hem op Zijn Woord mogen geloven. Hoe een verhaal zo levend kan worden, dat het ons mag blijven raken. En dat de dood niet het laatste woord heeft. Wie met de dood te maken heeft, kan door het paasverhaal wel eens in verwarring achterblijven.
Onze ervaringen met de dood eindigen veelal in verdriet. De afstand tussen het leven waar we aan vasthouden en de belofte van een beter leven hierna, is soms te groot.
Welke woorden van troost kun je nog spreken als je gelooft dat de dood het definitieve einde is? Het paasverhaal is een antwoord. Een antwoord van troost. Een woord dat je de hand reikt, dat je belooft dat ieder mens zijn voetsporen nalaat. Dat ons eigen lijden en sterven nooit vergeefs is. Daarbij moet ik denken aan de tekst die zegt:
Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde
nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten
ik leverde het bewijs van mijn bestaan
omdat door het verleggen van die ene steen
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan.
Ons leven maakt het verschil. Wat wij doen, waar wij in geloven, wat wij beslissen voor nu of later. Onze angsten, onze twijfel, ons ongeloof. Het verhaal van Thomas houdt ons deze spiegel voor. De afstand tussen weten en geloven, tussen verdriet en vreugde, moet overbrugd worden. Misschien bestaat er geen geloof zonder twijfel. Misschien is het wel goed als wij laten zien dat wij niet alleen de sprong durven wagen.
De regenboog is een prachtig symbool. De boogvorm vormt een overbrugging van het oude leven naar het nieuwe. De kleurrijkheid staat symbool voor het nieuwe leven dat ons is gegeven met het verbond. Stil te mogen staan bij wat de schepping ons toont, dat is meer dan Gods woord letterlijk nemen. Dat is Gods woord in de natuur aflezen en eraan herinnerd mogen worden dat niets vanzelfsprekend is.
Ondanks de klare beeldtaal, of misschien juist dankzij, is deze levensles niet zonder meer in vreugde op te nemen. Graag geloven de discipelen, geloven wij dat we uitverkoren en gekend zijn. Met liefde omarmen we de gedachte dat we in Jezus de waarheid zijn. Maar op de achtergrond resoneren de andere, beginwoorden van Johannes mee: Het woord was in de wereld, de wereld is door hem ontstaan en toch kende de wereld hem niet’. We leven na Pasen, voor altijd met Pasen en wij weten dat de wereld Hem niet kent. Voor sommigen roept dat op tot het letterlijk nemen van de zendingsopdracht. Voor anderen is het voldoende zelf overtuigd te geloven. En voor velen is het geloof niet een zaak van rotsvaste overtuiging, maar van aarzelend, tastend zoeken naar de ware belofte.
‘Uit uw hemel zonder grenzen, komt Gij tastend aan het licht, met een naam en een gezicht, even weerloos als wij mensen, dicht Huub Oosterhuis.
En ook: ‘als een woord zijt Gij gegeven, als een nacht van hoop en vrees, als een pijn die ons geneest, als een nieuw begin van leven’.
Ons houvast in zware tijden, in tijden dat wij ons alleen gelaten voelen. In tijden dat ons christenzijn niet zo vanzelf spreekt. In tijden dat we niet zeker zijn wie of wat we nog moeten geloven. Dan verbindt dat dit ons met elkaar en met God: dat wij door Hem gekend zijn, met de belofte van het eeuwige leven. Jezus zegt het zo: Het eeuwige leven, dat is dat zij u kennen, de enige ware God, en hem die u gezonden hebt, Jezus Christus
Gekend zijn dat alleen ervaren kan worden als er ook strijd is, als er ook ontkenning is. Met strijd bedoel ik niet de noodzaak van oorlog, want oorlog kent geen noodzaak. Met strijd bedoel ik het onvermijdelijke, het zware dat ons soms treft. Als het leven niet gaat zoals we ons wensen. Als mensen om ons heen ons ziek worden of ons veel te vroeg verlaten. Die strijd, die voor ieder van ons een eigen gezicht heeft, kan alleen gestreden worden met het zicht op vrede. Vrede in het hier en nu, vrede in ons hart, aanvaarding misschien. Aanvaarding van al wat het leven ons biedt. Vrede in onze relaties, vrede op politiek en wereldniveau.
Woorden die ons verbinden met wat belangrijk is. Hopelijk reikt het leven ons de juiste woorden aan, en leiden onze woorden ons naar de juiste manier van leven.
En als we genoeg gezien en gepraat hebben: de stilte.
Geef de ziel de stilte die zij nodig heeft om zich te laten horen. Want de stem van de ziel is zacht en zij kan alleen in de stilte tot haar recht komen.
Stilte die ons verbindt en ons doet inzien: Gods Woord is waarlijk vervuld. Amen.
zondag 5 juni 2011
dinsdag 15 maart 2011
Rond het levenseinde
Rond het levenseinde
Vroeger vertelde men aan de kinderen
dat het kleine zusje gebracht werd
door de ooievaar,
maar ze stonden mee
aan het sterfbed van hun grootvader.
Nu weten de kinderen zeer jong
hoe baby"s ontstaan en ter wereld komen
maar als grootvader sterft
worden ze op afstand gehouden
en men vertelt ze
dat hij in een mooie tuin slaapt
tussen de bloemen.
Philippe Ariès,• "Met het oog op de dood."
Beelden en plaats
De rol van de geestelijk verzorger bij stervensbegeleiding is niet zo heel anders dan de rol van verzorgenden. Waar misschien meer de nadruk op ligt, is het aanreiken van teksten, rituelen of beelden. Met beelden bedoel ik dat je in gesprek met de stervende of familie zoekt naar wat past bij het levensverhaal. Ook naar wat past bij de dood. Bovenstaande tekst, laat zien dat aan kinderen een ander beeld van de dood wordt geschetst dan de soms harde werkelijkheid. Geen oude zieke opa in een bed, benauwd, zoekend naar adem, door medicatie niet meer helder, pijnbestrijding nadat de pijn te erg was. Nee, een slapende man, in een mooie tuin tussen de bloemen. Dat is het beeld wat we kinderen toewensen. En misschien onszelf ook wel! Het gaat mij nu niet om de discussie of je kinderen erbij moet laten, maar hoe wij de dood zien. Als verzorgende zie je alles, hoor je alles, ruik je alles. Er is geen ontkomen aan: zo is het sterven. Toch, de dood zoals hij zich voordoet, laat een werkelijkheid zien die ons ook op andere gedachten kan brengen. Beelden van slaap, van iemand die droomt, iemand die het leven aan zich voorbij ziet trekken. Als ik bij een stervende geroepen wordt, ga ik eerst aan het bed zitten en kijk. De woorden komen later wel. Als iemand angstig is, probeer ik met geruststellende woorden of gebaren de angst wat te verzachten. Ik noem de namen van wie dierbaar waren, zeg dat het goed is zo, dat hij of zij mag gaan. Daarin zie ik mijn rol als iemand die helpt het leven los te laten.
Geef ons de kracht om te veranderen wat veranderd kan worden
Geef ons de moed om te accepteren wat niet veranderd kan worden
En geef ons de wijsheid deze twee te kunnen onderscheiden
[R. Niebuhr]
Handelen en zijn
In mijn werk gaat het sterk om deze twee componenten: er zijn, aanwezig zijn, waken. Er zijn door te laten weten dat je beschikbaar bent, dat je terugkomt. En handelen: door te praten, rituelen uit te voeren. De familie te spreken en begeleiden. Bij rituelen kun je denken aan: hand opleggen, zegenen, kaarsje branden, gedicht lezen, bidden, samen zingen. Zegenen is iets heel moois, wat iedereen kan en mag doen: zegenen betekent iemand iets meegeven voor onderweg, iemand het goede toewensen, uit je eigen naam of uit naam van God. Als iemand sterft, betreedt hij een nieuw land, waar je de weg niet kent. Of je nu gelooft in een leven na de dood of niet, bij stervenden weet je zeker dat zij het bekende leven en de ons bekende wereld gaan verlaten. En bij die reis kunnen ze wel wat goede wensen gebruiken. Dat betekent zegenen. Bidden, als iemand daar om vraagt of dat gewend is, kan met eigen woorden of vaststaande gebeden. Een Weesgegroet of Onzevader bidden is voor katholieke mensen altijd wel welkom. Voor protestanten zoek ik altijd mijn eigen woorden en bidden we gezamenlijk het Onzevader. Voor niet-gelovigen kun je ook bidden, want bidden is vragen om kracht en nabijheid, ook in dankbaarheid het goede van het leven benoemen en dat is iets wat uit je hart komt.
Een hand op het voorhoofd leggen is een ander ritueel, dat goed kan zijn als je voelt dat aanraking gewenst is. Ook daarbij kun je je voorstellen dat iets van jou kracht en goede wensen overgaan in de stervende.
Het leven eindigt wanneer je alles hebt geleerd wat je moet leren.
[E.K. Ross]
Vrede met het moment
Als het moment van sterven daar is, merk je misschien bij jezelf een soort opluchting. Nu is het duidelijk, nu is het echt de laatste adem, nu kun je overgaan tot…. Tot alle handelingen die nodig zijn na het overlijden. Zo vaak maakte ik mee dat de stervende pas vertrok als iedereen de kamer uit is. Ieder kiest zijn eigen stervensmoment, daar ben ik van overtuigd. Sommigen doen dat in nabijheid van hun geliefden, andere liever alleen. Hoe het ook gaat, durf onder ogen te zien dat ieder mens op het juiste moment sterft. Natuurlijk soms veel te vroeg. Sommigen laten hun geliefde achter met een verscheurd hart en de onmogelijkheid te accepteren dat hij of zij is overleden. Anderen zijn echt aan het einde van het leven, in de ogen van de ander. Het moment van sterven is een moment waarop ik als gv een stapje terug doe, de familie alle ruimte wil geven. Het verdriet wordt dan vaak accuut en ieder moet daar zijn eigen manier in vinden.
Hoewel we uiteindelijk alles verliezen wat we bezitten, gaat wat er werkelijk toe doet, nooit verloren [E.K. Ross]
Na het sterven:
Wat ik troostrijk vind, is dat het leven dat we leiden, nooit onopgemerkt blijft. Er is altijd wel iemand die zich jou zal herinneren. Ik maakte toen ik net werkte in het huis waar ik nu werk, mee dat een bewoner stervende was, die net zijn vrouw had verloren in de weken daarvoor. Beiden hadden geen contact met familie, geen vrienden of naasten. Bij beiden waren de enige aanwezigen op de begrafenis, de verzorgenden en de uitvaartondernemer. Ik had van hun leven nagenoeg niets meegemaakt, maar mocht hen in het sterven begeleiden. Ik heb dus ook de uitvaart geleid. Als gv heb je de rijkdom van rituelen maar ook veel teksten tot je beschikking. Teksten, woorden, gedichten, liederen uit de rijke traditie van geloof of levensovertuigingen. Daarin vind ik troost, daarmee wil ik troost bieden Niemand blijft onopgemerkt, ook niet wie alleen sterft. Soms krijg jij als verzorgende die rol, ben jij de laatste in iemands leven. En ook dat is goed.
Ieder leven is het waard geleefd te worden en ik ben blij dat ik met dit werk daar een rol in mag spelen.
BMH
Vroeger vertelde men aan de kinderen
dat het kleine zusje gebracht werd
door de ooievaar,
maar ze stonden mee
aan het sterfbed van hun grootvader.
Nu weten de kinderen zeer jong
hoe baby"s ontstaan en ter wereld komen
maar als grootvader sterft
worden ze op afstand gehouden
en men vertelt ze
dat hij in een mooie tuin slaapt
tussen de bloemen.
Philippe Ariès,• "Met het oog op de dood."
Beelden en plaats
De rol van de geestelijk verzorger bij stervensbegeleiding is niet zo heel anders dan de rol van verzorgenden. Waar misschien meer de nadruk op ligt, is het aanreiken van teksten, rituelen of beelden. Met beelden bedoel ik dat je in gesprek met de stervende of familie zoekt naar wat past bij het levensverhaal. Ook naar wat past bij de dood. Bovenstaande tekst, laat zien dat aan kinderen een ander beeld van de dood wordt geschetst dan de soms harde werkelijkheid. Geen oude zieke opa in een bed, benauwd, zoekend naar adem, door medicatie niet meer helder, pijnbestrijding nadat de pijn te erg was. Nee, een slapende man, in een mooie tuin tussen de bloemen. Dat is het beeld wat we kinderen toewensen. En misschien onszelf ook wel! Het gaat mij nu niet om de discussie of je kinderen erbij moet laten, maar hoe wij de dood zien. Als verzorgende zie je alles, hoor je alles, ruik je alles. Er is geen ontkomen aan: zo is het sterven. Toch, de dood zoals hij zich voordoet, laat een werkelijkheid zien die ons ook op andere gedachten kan brengen. Beelden van slaap, van iemand die droomt, iemand die het leven aan zich voorbij ziet trekken. Als ik bij een stervende geroepen wordt, ga ik eerst aan het bed zitten en kijk. De woorden komen later wel. Als iemand angstig is, probeer ik met geruststellende woorden of gebaren de angst wat te verzachten. Ik noem de namen van wie dierbaar waren, zeg dat het goed is zo, dat hij of zij mag gaan. Daarin zie ik mijn rol als iemand die helpt het leven los te laten.
Geef ons de kracht om te veranderen wat veranderd kan worden
Geef ons de moed om te accepteren wat niet veranderd kan worden
En geef ons de wijsheid deze twee te kunnen onderscheiden
[R. Niebuhr]
Handelen en zijn
In mijn werk gaat het sterk om deze twee componenten: er zijn, aanwezig zijn, waken. Er zijn door te laten weten dat je beschikbaar bent, dat je terugkomt. En handelen: door te praten, rituelen uit te voeren. De familie te spreken en begeleiden. Bij rituelen kun je denken aan: hand opleggen, zegenen, kaarsje branden, gedicht lezen, bidden, samen zingen. Zegenen is iets heel moois, wat iedereen kan en mag doen: zegenen betekent iemand iets meegeven voor onderweg, iemand het goede toewensen, uit je eigen naam of uit naam van God. Als iemand sterft, betreedt hij een nieuw land, waar je de weg niet kent. Of je nu gelooft in een leven na de dood of niet, bij stervenden weet je zeker dat zij het bekende leven en de ons bekende wereld gaan verlaten. En bij die reis kunnen ze wel wat goede wensen gebruiken. Dat betekent zegenen. Bidden, als iemand daar om vraagt of dat gewend is, kan met eigen woorden of vaststaande gebeden. Een Weesgegroet of Onzevader bidden is voor katholieke mensen altijd wel welkom. Voor protestanten zoek ik altijd mijn eigen woorden en bidden we gezamenlijk het Onzevader. Voor niet-gelovigen kun je ook bidden, want bidden is vragen om kracht en nabijheid, ook in dankbaarheid het goede van het leven benoemen en dat is iets wat uit je hart komt.
Een hand op het voorhoofd leggen is een ander ritueel, dat goed kan zijn als je voelt dat aanraking gewenst is. Ook daarbij kun je je voorstellen dat iets van jou kracht en goede wensen overgaan in de stervende.
Het leven eindigt wanneer je alles hebt geleerd wat je moet leren.
[E.K. Ross]
Vrede met het moment
Als het moment van sterven daar is, merk je misschien bij jezelf een soort opluchting. Nu is het duidelijk, nu is het echt de laatste adem, nu kun je overgaan tot…. Tot alle handelingen die nodig zijn na het overlijden. Zo vaak maakte ik mee dat de stervende pas vertrok als iedereen de kamer uit is. Ieder kiest zijn eigen stervensmoment, daar ben ik van overtuigd. Sommigen doen dat in nabijheid van hun geliefden, andere liever alleen. Hoe het ook gaat, durf onder ogen te zien dat ieder mens op het juiste moment sterft. Natuurlijk soms veel te vroeg. Sommigen laten hun geliefde achter met een verscheurd hart en de onmogelijkheid te accepteren dat hij of zij is overleden. Anderen zijn echt aan het einde van het leven, in de ogen van de ander. Het moment van sterven is een moment waarop ik als gv een stapje terug doe, de familie alle ruimte wil geven. Het verdriet wordt dan vaak accuut en ieder moet daar zijn eigen manier in vinden.
Hoewel we uiteindelijk alles verliezen wat we bezitten, gaat wat er werkelijk toe doet, nooit verloren [E.K. Ross]
Na het sterven:
Wat ik troostrijk vind, is dat het leven dat we leiden, nooit onopgemerkt blijft. Er is altijd wel iemand die zich jou zal herinneren. Ik maakte toen ik net werkte in het huis waar ik nu werk, mee dat een bewoner stervende was, die net zijn vrouw had verloren in de weken daarvoor. Beiden hadden geen contact met familie, geen vrienden of naasten. Bij beiden waren de enige aanwezigen op de begrafenis, de verzorgenden en de uitvaartondernemer. Ik had van hun leven nagenoeg niets meegemaakt, maar mocht hen in het sterven begeleiden. Ik heb dus ook de uitvaart geleid. Als gv heb je de rijkdom van rituelen maar ook veel teksten tot je beschikking. Teksten, woorden, gedichten, liederen uit de rijke traditie van geloof of levensovertuigingen. Daarin vind ik troost, daarmee wil ik troost bieden Niemand blijft onopgemerkt, ook niet wie alleen sterft. Soms krijg jij als verzorgende die rol, ben jij de laatste in iemands leven. En ook dat is goed.
Ieder leven is het waard geleefd te worden en ik ben blij dat ik met dit werk daar een rol in mag spelen.
BMH
dinsdag 16 november 2010
Herdenken
Overweging herdenkingsdienst
Het onbekende tegemoet…
Er is een land van louter licht, waar heiligen heersers zijn Nooit gaat de gouden dag daar dicht
in duisternis of pijn..
Dit beeld is hoopvol. Dit beeld van een land doorstraald van licht, is een beeld dat wie sterven gaat, hoop kan bieden, een vergezicht, een perspectief.
We spreken over de dood. Het afgelopen jaar heeft u meegemaakt dat iemand uit uw naaste omgeving, uw geliefde, uw moeder of vader of grootvader is overleden. U heeft doorgemaakt wat voor een mens het allermoeilijkst om te dragen is: het einde van dit leven. Toch heeft u, en God mag weten hoe, de kracht gevonden om door te gaan. Toch bent u,alleen of samen, op zoek naar woorden van troost. Op zoek naar beelden van herinnering.
Het onbekende tegemoet. Dat is wat angst en hoop geeft op het moment van sterven. Dat is onze eigen levensweg. We zijn hier bij elkaar om dat in het afgelopen jaar iemand die ons lief was, is gestorven. We moeten eerst de beelden van pijn en verdriet naar boven roepen, eerst dat gebied betreden waar we misschien liever niet willen zijn. Daarom is het ook van veel waarde dat u hierheen wilde komen. U heeft, met uw eigen gedachten en overwegingen, ja kunnen zeggen tegen het leven. En u weet als geen ander dat er geen leven zonder pijn bestaat.
Op het moment dat iemand ernstig ziek wordt, op het moment dat iedereen weet dat het niet lang meer gaat duren, komen de verhalen los. In de stilte van het waken, in het verdriet van het naderende afscheid, passeert het hele leven de revue. Even later bij de begrafenis of crematie, staat het leven in al zijn licht en donker centraal. Dan worden de werkelijke kernwaarden duidelijk: wie ben je, voor wie leef je, wat doet er werkelijk toe. Dan een naaste te hebben die je hand vasthoudt, die je hoop influistert!
Ik weet ook dat er mensen zijn, die in alle eenzaamheid sterven. Misschien is sterven altijd iets wat men alleen doet. Dan vol vertrouwen het onbekende tegemoet gaan, dat vergt een immense inspanning. Men zegt wel eens: de mens sterft zoals hij heeft geleefd. Daar ben ik het niet mee eens. Ons hele leven is een verhaal, is een zoektocht naar waarom. Ons hele leven is een antwoord, is keuzes maken, is veranderen wat we kunnen veranderen, is accepteren wat niet aan ons is om te veranderen. Het sterven is de afsluiting van het leven zoals wij dat kennen. Voor de een is dat definitief, voor de ander gloort er hoop aan de horizon, hoop op een leven hierna. Hoe dat beeld ook wordt ingekleurd, ontzeg een ander nooit de hoop.
Naar de woorden van een bekend gezang: 'Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen, of sterft zichzelf.' (gezang 91) Ieder van ons laat sporen na, als een steen in de rivier die ervoor zorgt dat het water nooit meer dezelfde baan gaat. Ieder van ons zet zijn voetstappen op nieuwe grond. Ieder van ons laat een herinnering of goede gedachte na en het is aan ons, de nabestaanden, om die herinneringen levend te houden. Dat is troostrijk, dat is de rijkdom die wij kunnen opdiepen uit het verborgene. Voorbij de pijn, naar het land van louter licht.
Troosten kan met woorden of met zwijgen. Met mooie muziek, met herinneringen. Troost brengt de herinnering aan het leven naar boven, zoals we onze geliefden het liefst bij ons zouden zien.
Op welke levensvraag is jouw leven het antwoord? Vertel elkaar je verhaal. Wacht daar niet mee tot je rond het sterfbed zit.
Gun elkaar een goede dood, en durf te kijken voorbij die dood. De pijn ontneemt je het zicht op het leven. Het zicht op de toekomst, waarin de nabestaanden verder moeten met een leegte, waar geen enkel licht doorheen kan.
In de diepzee leven zeedieren, die nooit zonlicht zien. En zonlicht is de basis van alle leven, zonder licht geen groei. Toch is er leven mogelijk in het absolute duister, want de schepping heeft deze dieren uitgerust met hun eigen lichtpuntjes.
Dit beeld laat zien dat wanneer wij in het diepste donker van ons leven verkeren, omdat onze geliefde zijn gestorven, er toch leven mogelijk is. En leven betekent groei, onderweg naar een onbekende toekomst.
Laat, voorbij de angst, het sterven een gebeurtenis zijn die ons op onze grondvesten doet schudden. Die ons confronteert met ons eigen bestaan. In de hoop dat ons antwoord leven geeft. In de hoop dat wij met vertrouwen het onbekende tegemoet durven gaan.
Het onbekende tegemoet…
Er is een land van louter licht, waar heiligen heersers zijn Nooit gaat de gouden dag daar dicht
in duisternis of pijn..
Dit beeld is hoopvol. Dit beeld van een land doorstraald van licht, is een beeld dat wie sterven gaat, hoop kan bieden, een vergezicht, een perspectief.
We spreken over de dood. Het afgelopen jaar heeft u meegemaakt dat iemand uit uw naaste omgeving, uw geliefde, uw moeder of vader of grootvader is overleden. U heeft doorgemaakt wat voor een mens het allermoeilijkst om te dragen is: het einde van dit leven. Toch heeft u, en God mag weten hoe, de kracht gevonden om door te gaan. Toch bent u,alleen of samen, op zoek naar woorden van troost. Op zoek naar beelden van herinnering.
Het onbekende tegemoet. Dat is wat angst en hoop geeft op het moment van sterven. Dat is onze eigen levensweg. We zijn hier bij elkaar om dat in het afgelopen jaar iemand die ons lief was, is gestorven. We moeten eerst de beelden van pijn en verdriet naar boven roepen, eerst dat gebied betreden waar we misschien liever niet willen zijn. Daarom is het ook van veel waarde dat u hierheen wilde komen. U heeft, met uw eigen gedachten en overwegingen, ja kunnen zeggen tegen het leven. En u weet als geen ander dat er geen leven zonder pijn bestaat.
Op het moment dat iemand ernstig ziek wordt, op het moment dat iedereen weet dat het niet lang meer gaat duren, komen de verhalen los. In de stilte van het waken, in het verdriet van het naderende afscheid, passeert het hele leven de revue. Even later bij de begrafenis of crematie, staat het leven in al zijn licht en donker centraal. Dan worden de werkelijke kernwaarden duidelijk: wie ben je, voor wie leef je, wat doet er werkelijk toe. Dan een naaste te hebben die je hand vasthoudt, die je hoop influistert!
Ik weet ook dat er mensen zijn, die in alle eenzaamheid sterven. Misschien is sterven altijd iets wat men alleen doet. Dan vol vertrouwen het onbekende tegemoet gaan, dat vergt een immense inspanning. Men zegt wel eens: de mens sterft zoals hij heeft geleefd. Daar ben ik het niet mee eens. Ons hele leven is een verhaal, is een zoektocht naar waarom. Ons hele leven is een antwoord, is keuzes maken, is veranderen wat we kunnen veranderen, is accepteren wat niet aan ons is om te veranderen. Het sterven is de afsluiting van het leven zoals wij dat kennen. Voor de een is dat definitief, voor de ander gloort er hoop aan de horizon, hoop op een leven hierna. Hoe dat beeld ook wordt ingekleurd, ontzeg een ander nooit de hoop.
Naar de woorden van een bekend gezang: 'Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen, of sterft zichzelf.' (gezang 91) Ieder van ons laat sporen na, als een steen in de rivier die ervoor zorgt dat het water nooit meer dezelfde baan gaat. Ieder van ons zet zijn voetstappen op nieuwe grond. Ieder van ons laat een herinnering of goede gedachte na en het is aan ons, de nabestaanden, om die herinneringen levend te houden. Dat is troostrijk, dat is de rijkdom die wij kunnen opdiepen uit het verborgene. Voorbij de pijn, naar het land van louter licht.
Troosten kan met woorden of met zwijgen. Met mooie muziek, met herinneringen. Troost brengt de herinnering aan het leven naar boven, zoals we onze geliefden het liefst bij ons zouden zien.
Op welke levensvraag is jouw leven het antwoord? Vertel elkaar je verhaal. Wacht daar niet mee tot je rond het sterfbed zit.
Gun elkaar een goede dood, en durf te kijken voorbij die dood. De pijn ontneemt je het zicht op het leven. Het zicht op de toekomst, waarin de nabestaanden verder moeten met een leegte, waar geen enkel licht doorheen kan.
In de diepzee leven zeedieren, die nooit zonlicht zien. En zonlicht is de basis van alle leven, zonder licht geen groei. Toch is er leven mogelijk in het absolute duister, want de schepping heeft deze dieren uitgerust met hun eigen lichtpuntjes.
Dit beeld laat zien dat wanneer wij in het diepste donker van ons leven verkeren, omdat onze geliefde zijn gestorven, er toch leven mogelijk is. En leven betekent groei, onderweg naar een onbekende toekomst.
Laat, voorbij de angst, het sterven een gebeurtenis zijn die ons op onze grondvesten doet schudden. Die ons confronteert met ons eigen bestaan. In de hoop dat ons antwoord leven geeft. In de hoop dat wij met vertrouwen het onbekende tegemoet durven gaan.
dinsdag 19 januari 2010
Hofland schrijft een boek!

Volg je ook met plezier deze blog? Dan zal mijn boek je zeker aanspreken:
De wereld van een thuisblijfmoeder in 27 verhalen is een bundel met overdenkingen van een thuisblijfmoeder. De columnachtige verhalen laten de wereld zien van een moderne jonge moeder die de bijzondere keuze maakt thuis voor haar kinderen te zorgen. Duik in haar wereld en laat je meevoeren op de weg van miljoenpoten, Delfts-blauwe wijsheden, virtuele zeeën van tijd en legendarische levens. Voor ieder die op eigen kracht zoekt naar wat het leven glans geeft, biedt dit boek stof tot nadenken. En voor welke keuze je ook staat: maak alle keuzes met je hart, zo is mijn overtuiging!
KLIK HIER om te bestellen!
dinsdag 11 november 2008
Eindelijk vrij!
Lukas 6: 27-38
De wet van de liefde. Zo luidt het opschrift bij de tekst die we net lazen. Een wet is een richtsnoer, een leidraad voor ons handelen. Een wet die liefde voorstaat, dat is een wet van God. Jezus vertelt hier hoe we de liefde van God mogen verstaan.
En dat terwijl we onderweg zijn naar de lijdenstijd, de veertigdagentijd. Het is vandaag de laatste zondag van Epifanie: verschijning van de heer.
Heden hosanna, morgen kruisigt hem, klinkt al op de achtergrond.
Onderweg naar de lijdenstijd. Net of ons nu nog wat tijd is gegund naar het goede nieuws van kerst terug te kijken, voor de moeilijke tijd aanbreekt die zal uitmonden in het grootste feest aller tijden: de opstanding. Ons wordt nog een blik gegund in het onderweg zijn van Jezus. Hij spreekt tot de omstanders en zijn woorden vinden hun weg in dit evangelie
Zijn woorden horen en ervan leren, dat is de opdracht. Geloven in de waarheid van zijn woorden wordt vergemakkelijkt door het geloof in de mens Jezus. Volgens de Grieken in de klassieke oudheid leerde je het meest door alleen te luisteren, sommige leerlingen mochten zelfs gedurende vier jaar geen vragen stellen. Dit om het gehoorde goed tot hen door te laten dringen, zodat ze de waarheid zouden verstaan.
Wie naar Jezus' woorden luistert, kan dat ook in stilte doen. De vorm van de preek zoals wij die in de kerk gekozen hebben, vraagt een aandachtige luisterhouding. Maar ik geloof dat in ons hart al gauw de reacties opkomen. Wat wordt hier gesproken? Mogen we er vanuit gaan dat Jezus spreekt met macht?
Op de eerste zondag na Epifanie, een aantal weken geleden, herdachten we de doop van Jezus in de Jordaan. Met deze doop zou hij alle gerechtigheid vervullen. En God bestendigde deze doop: deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie ik mijn welbehagen heb.
Jezus gaat na deze doop op weg om zijn leven te vervullen. Hij wordt verzocht en doorstaat dit, hij roept zijn discipelen en is niet langer alleen. Een van de eerste taken die hij vervult, is het genezen van mensen. Hij trok rond in Galilea en leerde en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk. Wie hem hoorde spreken, reageerden afwisselend met angst en ontzag, met vrees en bewondering. Wie was die profeet, die zei in naam van God de zonden der wereld te kunnen wegwassen? Naast wonderdaden, sprak Jezus veel. Onze tekst behoort tot de zogenaamde veldrede, elders ook wel bergrede genoemd.
Soms in abstracte bewoordingen, maakt hij de omstanders duidelijk dat hij een totaal nieuwe weg bewandelt. Hij legt de wet opnieuw uit.
We kunnen ervan uit gaan, dat de hoorders, de mensen die toevallig langskwamen, de discipelen, die wet erg goed kenden. De Torah was hun richtsnoer, het woord van God waaruit zij dienden te leven. In de Torah, in het boek Leviticus, klinkt het onder meer: gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk, maar uw naaste liefhebben als uzelf. Ik ben de Here.
Deze opdracht lijkt duidelijk: geen oog om oog, geen kwaad met kwaad vergelden. Liefde als gebod, want God is uw Heer. Nu is het wonderlijke en tegelijk ook zo goed invoelbare, dat deze heilige woorden niet altijd goed werden verstaan. Niets menselijks is ons vreemd, en de geboden om het altijd goed, ja zelfs beter te doen dan een ander kunnen als een steen op de maag liggen. Vandaar ook dat in het nieuwe testament wordt gezegd: gij hebt gehoord, dat er gezegd is: gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten….
Maar wie had dat laatste gebod toegevoegd? Alle verhalen van veldslagen, vijanden en oorlogen in de tijd van het oude testament, wijzen op maar een ding: dat God zijn volk niet in de steek liet en dat rechtvaardigheid in zijn naam geschiedde. Maar voor wie leest met de ogen van deze wereld, lijkt het of er staat dat de vijanden gehaat en verslagen moeten worden. De mooie woorden uit de psalm die we lazen; sta af van toorn en laat grimmigheid varen, lijken ineens verstomd. Uitgaande van de realiteit van toen en nu, kunnen we denk ik wel zeggen dat haat ons bekender voorkomt dan liefde. Dat oorlog nieuws is en vrede onbesproken. Dat strijd en vijanden geen onbekenden zijn en dat Gods geboden met de voeten getreden worden.
Vanuit die werkelijkheid is wat Jezus hier zegt, bijna ongehoord. Liefde tegenover haat, geen recht opeisen, niets terugverwachten, niet oordelen. Kortom: niet doen wat je vanuit je eerste impulsen zou doen. Nalaten wat iedereen door de eeuwen heen lijkt te doen: haat met haat vergelden. De oproep van Jezus lijkt veel op Burgerlijke ongehoorzaamheid!
Hoe is het mogelijk, dat in een tijd dat de Romeinen het voor het zeggen hadden, iemand van een klein volk in een klein land, er zulke eigenzinnige ideeën op na hield. En ook nog niet bang was ze te verkondigen. Jezus roept op tot ongehoorzaamheid aan de geldende regels, de heersende moraal. Volg niet langer wat je denkt te weten, maar doe het zoals God het bedoeld heeft: met de overtuiging dat je dan ontvangt wat je toekomt. Wees niet langer gehoorzaam aan de wetten van de staat, die je vertellen te buigen voor onrechtvaardigheid en kwaad.
Hoe moeilijk vaak ook verstaan, wat Jezus deed en zei, verdient navolging. In de geschiedenis duiken namen van grote denkers en leiders steeds weer op. Ik denk aan Martin
Luther King, de voorvechter voor de onderdrukte zwarte bevolking in Amerika. Zijn dromen, zijn wensen, zijn geweldloosheid bracht oneindig veel hoop voor hen die wanhopig waren. In zijn beroemde toespraak in 1963 sprak hij als volgt:
“Als we de vrijheid laten weerklinken, als het weerklinkt vanuit elk dorp en elk gehucht, vanuit elke staat en elke stad, zullen we die dag dichter bij kunnen brengen waarop al Gods kinderen, zwarten en blanken, joden en heidenen, protestanten en katholieken, in staat zijn elkaar de hand te geven en gezamenlijk te zingen: eindelijk vrij, eindelijk vrij. Dank aan de allerhoogste, wij zijn eindelijk vrij…
Deze beweging kon niet zonder eigenwijsheid, zonder eigenzinnig en zonder gevoel voor rechtvaardigheid die door de overheersers anders werd uitgelegd.
Evenals Jezus woorden, stuitten degenen die zoeken naar rechtvaardigheid op verzet bij de overheersers, bij de omstanders, bij degenen die liever alles bij het oude houden.
Stel je voor dat wat Jezus zei, geen navolging had gevonden. Dat niemand zijn woorden serieus nam, dat hij werd uitgelachen om zijn subversieve ideeën. Dan was hij als een roepende in de woestijn geweest, miskend in zijn eigen vaderland. Dan was hij verguisd en geminacht, gehaat en ter dood gebracht.
Dat is nu juist het wonder: dit alles is gebeurd, maar hij vond wel navolging! Hij is verworpen en gehaat door wie hem hoorden en zagen, maar er waren mensen die zijn boodschap verstonden. Het was Gods plan dat deze moeilijke tweezijdigheid in Jezus' levensverhaal steeds weer terugkeert. En mede daardoor kan hij ons tot voorbeeld zijn; hij was geen koning met hofhouding die precies wist wat er moest gebeuren. Hij was geen heerser die de rechtvaardigheid vanuit de bestaande orde claimde. Geen dictator die mensen in de categorieën goed en fout indeelt. Hij ging ons voor op een weg die onverwacht is. Hij vraagt het onverwachte van hen die hem dienen.Alles wat bekend was, draaide hij om. Niet om maar weer eens wat nieuws uit te proberen, maar omdat hij Gods wil en Gods koninkrijk proclameerde.
De aanwijzingen die hij daarbij geeft, zijn ons overgeleverd in de vorm van verhalen en redes. Deze veldrede vertelt ons dat te doen, wat niemand verwacht. Datgene te doen, wat niemand voor mogelijk houdt. Dat te doen, waar je misschien van droomt als je een rechtvaardige wereld voor je ziet, een wereld waarin geen kwaad met kwaad wordt vergolden. Een wereld waarin haat plaats maakt voor liefde. Waarin je er zeker van kunt zijn dat mensen je niet hard vallen, niet veroordelen. Waarin je niet tekort komt.
Het is niet aan ons te oordelen waar een ander staat. Wat goed en fout is, is in Gods hand en aan God over te laten. Dat betekent niet dat we kritiekloos door het leven moeten gaan. Het betekent veeleer dat we misschien meer dan we uit onszelf zouden kunnen, mild zijn jegens de ander. De ander sparen voor onze felle woorden, onze afkeuring.
Iemand vroeg laatst aan een oude professor, die na jaren arbeid nog eens terugblikte op zijn leven: waarom bestaat de zending niet meer? Waarom laten mensen zich niet bekeren en doen wij christenen geen poging meer tot bekering? De professor antwoordde: omdat Gods werk veel meer zichtbaar is in wat wij doen, in onze aanwezigheid bij de ander die ons nodig heeft. Wij hebben geen kant en klare concepten en ideeën nodig om de ander te overtuigen. Wij hoeven de ander niet te wijzen op eventuele fouten en afdwalingen. Er zijn, aanwezig zijn, dat is voldoende, dan ontstaat echt contact. Dan kan Gods waarheid oplichten, zonder pretenties van onze kant.
Laat los en u zult losgelaten worden, zijn de woorden van Jezus. Laat los wat je krampachtig vasthoudt of wat jou in de greep houdt. Bijvoorbeeld de angst voor morgen. Vervlogen hoop, ijdele hoop dat het morgen beter zal zijn. Dat je ontvangt waar je om vraagt.
Als je hoop hebt, zie je Gods leiding niet alleen als alles goed lijkt te gaan, maar juist als de wanhoop lijkt te overheersen. Het recht op dromen van een betere wereld, blijft bestaan. Iedere dag kan als een nieuwe dag worden ontvangen, voor wie zijn dromen en angsten losjes in de hand houdt. Erop vertrouwen, dat de gerechtigheid eens zal overheersen.
In Jezus naam.
De wet van de liefde. Zo luidt het opschrift bij de tekst die we net lazen. Een wet is een richtsnoer, een leidraad voor ons handelen. Een wet die liefde voorstaat, dat is een wet van God. Jezus vertelt hier hoe we de liefde van God mogen verstaan.
En dat terwijl we onderweg zijn naar de lijdenstijd, de veertigdagentijd. Het is vandaag de laatste zondag van Epifanie: verschijning van de heer.
Heden hosanna, morgen kruisigt hem, klinkt al op de achtergrond.
Onderweg naar de lijdenstijd. Net of ons nu nog wat tijd is gegund naar het goede nieuws van kerst terug te kijken, voor de moeilijke tijd aanbreekt die zal uitmonden in het grootste feest aller tijden: de opstanding. Ons wordt nog een blik gegund in het onderweg zijn van Jezus. Hij spreekt tot de omstanders en zijn woorden vinden hun weg in dit evangelie
Zijn woorden horen en ervan leren, dat is de opdracht. Geloven in de waarheid van zijn woorden wordt vergemakkelijkt door het geloof in de mens Jezus. Volgens de Grieken in de klassieke oudheid leerde je het meest door alleen te luisteren, sommige leerlingen mochten zelfs gedurende vier jaar geen vragen stellen. Dit om het gehoorde goed tot hen door te laten dringen, zodat ze de waarheid zouden verstaan.
Wie naar Jezus' woorden luistert, kan dat ook in stilte doen. De vorm van de preek zoals wij die in de kerk gekozen hebben, vraagt een aandachtige luisterhouding. Maar ik geloof dat in ons hart al gauw de reacties opkomen. Wat wordt hier gesproken? Mogen we er vanuit gaan dat Jezus spreekt met macht?
Op de eerste zondag na Epifanie, een aantal weken geleden, herdachten we de doop van Jezus in de Jordaan. Met deze doop zou hij alle gerechtigheid vervullen. En God bestendigde deze doop: deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie ik mijn welbehagen heb.
Jezus gaat na deze doop op weg om zijn leven te vervullen. Hij wordt verzocht en doorstaat dit, hij roept zijn discipelen en is niet langer alleen. Een van de eerste taken die hij vervult, is het genezen van mensen. Hij trok rond in Galilea en leerde en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk. Wie hem hoorde spreken, reageerden afwisselend met angst en ontzag, met vrees en bewondering. Wie was die profeet, die zei in naam van God de zonden der wereld te kunnen wegwassen? Naast wonderdaden, sprak Jezus veel. Onze tekst behoort tot de zogenaamde veldrede, elders ook wel bergrede genoemd.
Soms in abstracte bewoordingen, maakt hij de omstanders duidelijk dat hij een totaal nieuwe weg bewandelt. Hij legt de wet opnieuw uit.
We kunnen ervan uit gaan, dat de hoorders, de mensen die toevallig langskwamen, de discipelen, die wet erg goed kenden. De Torah was hun richtsnoer, het woord van God waaruit zij dienden te leven. In de Torah, in het boek Leviticus, klinkt het onder meer: gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk, maar uw naaste liefhebben als uzelf. Ik ben de Here.
Deze opdracht lijkt duidelijk: geen oog om oog, geen kwaad met kwaad vergelden. Liefde als gebod, want God is uw Heer. Nu is het wonderlijke en tegelijk ook zo goed invoelbare, dat deze heilige woorden niet altijd goed werden verstaan. Niets menselijks is ons vreemd, en de geboden om het altijd goed, ja zelfs beter te doen dan een ander kunnen als een steen op de maag liggen. Vandaar ook dat in het nieuwe testament wordt gezegd: gij hebt gehoord, dat er gezegd is: gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten….
Maar wie had dat laatste gebod toegevoegd? Alle verhalen van veldslagen, vijanden en oorlogen in de tijd van het oude testament, wijzen op maar een ding: dat God zijn volk niet in de steek liet en dat rechtvaardigheid in zijn naam geschiedde. Maar voor wie leest met de ogen van deze wereld, lijkt het of er staat dat de vijanden gehaat en verslagen moeten worden. De mooie woorden uit de psalm die we lazen; sta af van toorn en laat grimmigheid varen, lijken ineens verstomd. Uitgaande van de realiteit van toen en nu, kunnen we denk ik wel zeggen dat haat ons bekender voorkomt dan liefde. Dat oorlog nieuws is en vrede onbesproken. Dat strijd en vijanden geen onbekenden zijn en dat Gods geboden met de voeten getreden worden.
Vanuit die werkelijkheid is wat Jezus hier zegt, bijna ongehoord. Liefde tegenover haat, geen recht opeisen, niets terugverwachten, niet oordelen. Kortom: niet doen wat je vanuit je eerste impulsen zou doen. Nalaten wat iedereen door de eeuwen heen lijkt te doen: haat met haat vergelden. De oproep van Jezus lijkt veel op Burgerlijke ongehoorzaamheid!
Hoe is het mogelijk, dat in een tijd dat de Romeinen het voor het zeggen hadden, iemand van een klein volk in een klein land, er zulke eigenzinnige ideeën op na hield. En ook nog niet bang was ze te verkondigen. Jezus roept op tot ongehoorzaamheid aan de geldende regels, de heersende moraal. Volg niet langer wat je denkt te weten, maar doe het zoals God het bedoeld heeft: met de overtuiging dat je dan ontvangt wat je toekomt. Wees niet langer gehoorzaam aan de wetten van de staat, die je vertellen te buigen voor onrechtvaardigheid en kwaad.
Hoe moeilijk vaak ook verstaan, wat Jezus deed en zei, verdient navolging. In de geschiedenis duiken namen van grote denkers en leiders steeds weer op. Ik denk aan Martin
Luther King, de voorvechter voor de onderdrukte zwarte bevolking in Amerika. Zijn dromen, zijn wensen, zijn geweldloosheid bracht oneindig veel hoop voor hen die wanhopig waren. In zijn beroemde toespraak in 1963 sprak hij als volgt:
“Als we de vrijheid laten weerklinken, als het weerklinkt vanuit elk dorp en elk gehucht, vanuit elke staat en elke stad, zullen we die dag dichter bij kunnen brengen waarop al Gods kinderen, zwarten en blanken, joden en heidenen, protestanten en katholieken, in staat zijn elkaar de hand te geven en gezamenlijk te zingen: eindelijk vrij, eindelijk vrij. Dank aan de allerhoogste, wij zijn eindelijk vrij…
Deze beweging kon niet zonder eigenwijsheid, zonder eigenzinnig en zonder gevoel voor rechtvaardigheid die door de overheersers anders werd uitgelegd.
Evenals Jezus woorden, stuitten degenen die zoeken naar rechtvaardigheid op verzet bij de overheersers, bij de omstanders, bij degenen die liever alles bij het oude houden.
Stel je voor dat wat Jezus zei, geen navolging had gevonden. Dat niemand zijn woorden serieus nam, dat hij werd uitgelachen om zijn subversieve ideeën. Dan was hij als een roepende in de woestijn geweest, miskend in zijn eigen vaderland. Dan was hij verguisd en geminacht, gehaat en ter dood gebracht.
Dat is nu juist het wonder: dit alles is gebeurd, maar hij vond wel navolging! Hij is verworpen en gehaat door wie hem hoorden en zagen, maar er waren mensen die zijn boodschap verstonden. Het was Gods plan dat deze moeilijke tweezijdigheid in Jezus' levensverhaal steeds weer terugkeert. En mede daardoor kan hij ons tot voorbeeld zijn; hij was geen koning met hofhouding die precies wist wat er moest gebeuren. Hij was geen heerser die de rechtvaardigheid vanuit de bestaande orde claimde. Geen dictator die mensen in de categorieën goed en fout indeelt. Hij ging ons voor op een weg die onverwacht is. Hij vraagt het onverwachte van hen die hem dienen.Alles wat bekend was, draaide hij om. Niet om maar weer eens wat nieuws uit te proberen, maar omdat hij Gods wil en Gods koninkrijk proclameerde.
De aanwijzingen die hij daarbij geeft, zijn ons overgeleverd in de vorm van verhalen en redes. Deze veldrede vertelt ons dat te doen, wat niemand verwacht. Datgene te doen, wat niemand voor mogelijk houdt. Dat te doen, waar je misschien van droomt als je een rechtvaardige wereld voor je ziet, een wereld waarin geen kwaad met kwaad wordt vergolden. Een wereld waarin haat plaats maakt voor liefde. Waarin je er zeker van kunt zijn dat mensen je niet hard vallen, niet veroordelen. Waarin je niet tekort komt.
Het is niet aan ons te oordelen waar een ander staat. Wat goed en fout is, is in Gods hand en aan God over te laten. Dat betekent niet dat we kritiekloos door het leven moeten gaan. Het betekent veeleer dat we misschien meer dan we uit onszelf zouden kunnen, mild zijn jegens de ander. De ander sparen voor onze felle woorden, onze afkeuring.
Iemand vroeg laatst aan een oude professor, die na jaren arbeid nog eens terugblikte op zijn leven: waarom bestaat de zending niet meer? Waarom laten mensen zich niet bekeren en doen wij christenen geen poging meer tot bekering? De professor antwoordde: omdat Gods werk veel meer zichtbaar is in wat wij doen, in onze aanwezigheid bij de ander die ons nodig heeft. Wij hebben geen kant en klare concepten en ideeën nodig om de ander te overtuigen. Wij hoeven de ander niet te wijzen op eventuele fouten en afdwalingen. Er zijn, aanwezig zijn, dat is voldoende, dan ontstaat echt contact. Dan kan Gods waarheid oplichten, zonder pretenties van onze kant.
Laat los en u zult losgelaten worden, zijn de woorden van Jezus. Laat los wat je krampachtig vasthoudt of wat jou in de greep houdt. Bijvoorbeeld de angst voor morgen. Vervlogen hoop, ijdele hoop dat het morgen beter zal zijn. Dat je ontvangt waar je om vraagt.
Als je hoop hebt, zie je Gods leiding niet alleen als alles goed lijkt te gaan, maar juist als de wanhoop lijkt te overheersen. Het recht op dromen van een betere wereld, blijft bestaan. Iedere dag kan als een nieuwe dag worden ontvangen, voor wie zijn dromen en angsten losjes in de hand houdt. Erop vertrouwen, dat de gerechtigheid eens zal overheersen.
In Jezus naam.
woensdag 29 oktober 2008
De Emmausgangers
Overdenking Lk 24:13-35 (en Gen. 28:10-22)
Was het niet hartverwarmend zoals hij met ons sprak en de schrift voor ons opende? Deze verzuchting uit de grond van het hart van de discipelen klinkt nog lang na.
Het spreken van Jezus van aangezicht tot aangezicht is hartverwarmend. Zijn troostende aanwezigheid kunnen voelen en aanschouwen. In de tussentijd tussen de opstanding en verhoging van Jezus is en wordt hij gekend door zijn verschijningen. Dat Lukas hier uitvoerig over schrijft, is geen toeval. Het is moeilijk de overstap van Jezus’ leven naar zijn heerlijkheid te maken. Het lege graf dat de vrouwen vonden, laat ons met vraagtekens achter. Waar is Jezus? En nog belangrijker: is het waar, dat hij de Messias is? De twee discipelen onderweg naar Emmaus spreken van hun teleurstelling. Zij hadden gedacht dat Jezus degene zou zijn die Israel zou verlossen, maar ze wachten al drie dagen…De onbevangenheid waarmee ze dit zeggen, verrast me. Zo vol van hun leermeester, die een gruweldood is gestorven. Zo zwevend tussen hoop en wanhoop. Wat ging er in hen om? Hadden zij gedacht dat Jezus meteen uit het graf zou opstaan, of van het kruis zelfs niet zou sterven? Hadden ze zijn woorden niet verstaan? Jezus had al eerder verkondigd dat hij zou sterven, zou moeten lijden voor de mensheid, maar na drie dagen weer opstaan. Zouden de raadselachtige woorden waarmee hij dat had aangekondigd, teveel een raadsel zijn gebleven?
In ieder geval strookte de verwachting van de discipelen niet met de werkelijkheid. En dat is precies waar het hier om gaat: juist dat wat zij niet verwachtten en tegelijkertijd zo hoopten, dat gebeurt. Maar niet op hun manier.
Geloven in God is altijd een ontmoeting. Een ontmoeting, die niet eenzijdig van onze kant tot stand kan worden gebracht. Er is, anders dan bij mensen, niet altijd een echte afspraak voor nodig. Je kunt God ontmoeten in gebed, in een viering, maar zeker ook daarbuiten. In deze ontmoeting is het belangrijk dat we ons verbonden weten met God. Dat ons geloof de grond is voor het vertrouwen in God. En omgekeerd is het God die ons vertrouwen en geloof schenkt. Ik geloof, dat net als bij de ontmoeting tussen mensen, er veel overgelaten moet worden aan het moment zelf. Je weet immers nooit zeker hoe de ander, hoe God zich laat kennen. God is dan de werkelijke Ander, die zich kan toe- of afwenden. God handelt in onze geschiedenis, handelt aan ons. Vaak op een manier die wij niet kunnen voorzien. Wanneer er bijvoorbeeld in ons leven of in onze gedachten echt geen ruimte is voor God. Als we in beslag genomen worden door het hier en nu, door wat er morgen staat te gebeuren, door de angst voor de nacht. Zo is het ook met de verschijning aan Jakob. Zo ook met de verschijning van Jezus aan de discipelen. Allemaal zijn ze onderweg, zijn ze niet bezig met het zoeken of eren van God, maar in beslag genomen door hun taken van dat moment. Jakob is zijn familie ontvlucht, is onderweg naar het huis van zijn oom Laban om daar een deel van zijn leven te werken. Hij is onderweg, op een plaats die hij misschien niet kende. En hij wordt door zijn droom in staat gesteld die plaats een naam te geven. Hij krijgt waar hij niet om vroeg, wat hij misschien als laatste had verwacht: hij ontmoet God en ontvangt de belofte van een groot nageslacht. Uit dankbaarheid vernoemt hij de plaats waar hij was naar God. Dit lees ik als een thuisvoelen: Jakob was van onderweg gaand, van zwervend naar een gekend persoon die een plek voor even zijn thuis kon noemen gegaan.
De discipelen zijn onderweg, van Jeruzalem naar Emmaus. Dat is een plaats die blijkbaar op loopafstand van Jeruzalem lag, zo’n twaalf kilometer. Echt verdwaald kun je hen niet noemen. Tot je hen hoort spreken. Ze verhalen aan de vreemdeling onderweg waar ze in geloofden. Wat ze hoopten, van hun teleurstelling. Daarin ligt al een vraag verborgen: wat vindt u, als buitenstaander, van ons verhaal? In al hun onzekerheid en twijfel denken ze ook zelf de waarheid wel te kennen. Immers, als Jezus de Messias was, dan zou hij toch zijn opgestaan uit de dood.
Zij krijgen niet waar ze om vroegen. En terwijl ze daar zo vol van zijn, dat ze zelfs een vreemdeling hierover vertellen, zien ze niet wat er voor hun ogen gebeurt. Dat Jezus in deze aanwezigheid, in zijn uitleg van de Schrift, hun gaf waar ze het meest naar verlangden: de zekerheid van zijn opstanding. De zekerheid van het geloof.
Niet alleen de discipelen, ook Jezus zelf moet zich verlaten en onbegrepen hebben gevoeld.
Wederom werd hij niet herkend, werden de wonderdaden van God niet op waarde geschat. Hij moet als het ware altijd ede mens een stapje tegemoet komen, afdalen op de Jakobsladder als de engelen, om de mensen aan hun verstand te krijgen dat hij doet wat hij belooft. Dit klinkt niet erg hoopgevend voor ons mensen, maar dit wijst ons tegelijk op onze vooringenomenheid. We denken te weten wat we weten. Te zien wat we kunnen zien. En daarin zijn we niet minder menselijk dan Thomas, van wie wordt gezegd dat hij ongelovig was omdat hij niet kon geloven zonder eerst Jezus gezien te hebben.
Pas bij het breken van het brood, treedt voor de Emmausgangers het feest der herkenning op: ja, zo deed Jezus zelf dat altijd. In dat brood breken lezen we iets terug van Jezus mededeelzaamheid. Van zijn lijden, van zijn overgave, van zijn solidariteit met de hongerigen. Van zijn gewoonte te eten met de verdrukten, tollenaars.
Alsof hij met dit alles zeggen wil: het is nog niet te laat. Wie in mij gelooft, zal het koninkrijk beerven, zoals hij eerder beloofde. Ook al geloven we niet wat we zien, kunnen we maar moeilijk al die wonderen voor waar aannemen, voor God is het nooit te laat om je naar hem toe te wenden. Want , in de ontmoeting met hem, wendt hij zich naar ons toe.
Iemand vertelde mij eens, dat ze in de strijd tegen een ziekte die haar moedeloos maakte, een visioen had gehad. Maar ze twijfelde eraan of ze dat zo moest noemen. En of ze de stem van God daarin wel mocht herkennen. Wat ze aanmoest met dat, wat ze dacht van God gehoord te hebben. Anderen zouden haar maar vreemd vinden, want op die manier was ze nooit met het geloof bezig geweest. Ik vond dat een heel moeilijke vraag. Immers, wij kunnen zelf niet beoordelen voor een ander of God hen heeft ontmoet. Je kunt de ander nooit de maat nemen en als het ware zijn of haar geloof peilen. Dat is alleen aan God.
Het verhaal van de Emmausgangers hielp ons verder. Immers, zij hadden niet gevraagd om een ontmoeting met Jezus. Zij waren wel in nood maar dachten dat de hulp en oplossing op een andere manier nabij waren geweest. Een opstanding pas na drie dagen, dat duurde hen te lang. Dus toen ze het minst erop waren voorbereid, kregen ze waar ze niet om hadden gevraagd. In plaats van zich daartegen te verzetten, herkenden ze wat Jezus hen had willen zeggen. Of hij nu verscheen in een droomwereld, of in werkelijkheid; voor hen was hij werkelijk en zijn beloften niet minder. Waarachtig, de Heer is opgewekt. Was het niet hartverwarmend, of: brandde ons hart niet in ons?
Deze vertelling kan houvast bieden door juist daar op te letten. Bij wat als ontmoeting met God wordt gevoeld, zal je hart zich verwarmen aan de troost van de belofte. Een belofte die je misschien was vergeten. Dat, waar je niet meer op wachtte. Of dat, waar je niet om gevraagd had. God laat zich kennen op zijn manier, op zijn tijd, maar dat is dan ook een echt kennen. Niet meer en niet minder. Want God is trouw tot in eeuwigheid. De Heer is waarlijk opgestaan.
Was het niet hartverwarmend zoals hij met ons sprak en de schrift voor ons opende? Deze verzuchting uit de grond van het hart van de discipelen klinkt nog lang na.
Het spreken van Jezus van aangezicht tot aangezicht is hartverwarmend. Zijn troostende aanwezigheid kunnen voelen en aanschouwen. In de tussentijd tussen de opstanding en verhoging van Jezus is en wordt hij gekend door zijn verschijningen. Dat Lukas hier uitvoerig over schrijft, is geen toeval. Het is moeilijk de overstap van Jezus’ leven naar zijn heerlijkheid te maken. Het lege graf dat de vrouwen vonden, laat ons met vraagtekens achter. Waar is Jezus? En nog belangrijker: is het waar, dat hij de Messias is? De twee discipelen onderweg naar Emmaus spreken van hun teleurstelling. Zij hadden gedacht dat Jezus degene zou zijn die Israel zou verlossen, maar ze wachten al drie dagen…De onbevangenheid waarmee ze dit zeggen, verrast me. Zo vol van hun leermeester, die een gruweldood is gestorven. Zo zwevend tussen hoop en wanhoop. Wat ging er in hen om? Hadden zij gedacht dat Jezus meteen uit het graf zou opstaan, of van het kruis zelfs niet zou sterven? Hadden ze zijn woorden niet verstaan? Jezus had al eerder verkondigd dat hij zou sterven, zou moeten lijden voor de mensheid, maar na drie dagen weer opstaan. Zouden de raadselachtige woorden waarmee hij dat had aangekondigd, teveel een raadsel zijn gebleven?
In ieder geval strookte de verwachting van de discipelen niet met de werkelijkheid. En dat is precies waar het hier om gaat: juist dat wat zij niet verwachtten en tegelijkertijd zo hoopten, dat gebeurt. Maar niet op hun manier.
Geloven in God is altijd een ontmoeting. Een ontmoeting, die niet eenzijdig van onze kant tot stand kan worden gebracht. Er is, anders dan bij mensen, niet altijd een echte afspraak voor nodig. Je kunt God ontmoeten in gebed, in een viering, maar zeker ook daarbuiten. In deze ontmoeting is het belangrijk dat we ons verbonden weten met God. Dat ons geloof de grond is voor het vertrouwen in God. En omgekeerd is het God die ons vertrouwen en geloof schenkt. Ik geloof, dat net als bij de ontmoeting tussen mensen, er veel overgelaten moet worden aan het moment zelf. Je weet immers nooit zeker hoe de ander, hoe God zich laat kennen. God is dan de werkelijke Ander, die zich kan toe- of afwenden. God handelt in onze geschiedenis, handelt aan ons. Vaak op een manier die wij niet kunnen voorzien. Wanneer er bijvoorbeeld in ons leven of in onze gedachten echt geen ruimte is voor God. Als we in beslag genomen worden door het hier en nu, door wat er morgen staat te gebeuren, door de angst voor de nacht. Zo is het ook met de verschijning aan Jakob. Zo ook met de verschijning van Jezus aan de discipelen. Allemaal zijn ze onderweg, zijn ze niet bezig met het zoeken of eren van God, maar in beslag genomen door hun taken van dat moment. Jakob is zijn familie ontvlucht, is onderweg naar het huis van zijn oom Laban om daar een deel van zijn leven te werken. Hij is onderweg, op een plaats die hij misschien niet kende. En hij wordt door zijn droom in staat gesteld die plaats een naam te geven. Hij krijgt waar hij niet om vroeg, wat hij misschien als laatste had verwacht: hij ontmoet God en ontvangt de belofte van een groot nageslacht. Uit dankbaarheid vernoemt hij de plaats waar hij was naar God. Dit lees ik als een thuisvoelen: Jakob was van onderweg gaand, van zwervend naar een gekend persoon die een plek voor even zijn thuis kon noemen gegaan.
De discipelen zijn onderweg, van Jeruzalem naar Emmaus. Dat is een plaats die blijkbaar op loopafstand van Jeruzalem lag, zo’n twaalf kilometer. Echt verdwaald kun je hen niet noemen. Tot je hen hoort spreken. Ze verhalen aan de vreemdeling onderweg waar ze in geloofden. Wat ze hoopten, van hun teleurstelling. Daarin ligt al een vraag verborgen: wat vindt u, als buitenstaander, van ons verhaal? In al hun onzekerheid en twijfel denken ze ook zelf de waarheid wel te kennen. Immers, als Jezus de Messias was, dan zou hij toch zijn opgestaan uit de dood.
Zij krijgen niet waar ze om vroegen. En terwijl ze daar zo vol van zijn, dat ze zelfs een vreemdeling hierover vertellen, zien ze niet wat er voor hun ogen gebeurt. Dat Jezus in deze aanwezigheid, in zijn uitleg van de Schrift, hun gaf waar ze het meest naar verlangden: de zekerheid van zijn opstanding. De zekerheid van het geloof.
Niet alleen de discipelen, ook Jezus zelf moet zich verlaten en onbegrepen hebben gevoeld.
Wederom werd hij niet herkend, werden de wonderdaden van God niet op waarde geschat. Hij moet als het ware altijd ede mens een stapje tegemoet komen, afdalen op de Jakobsladder als de engelen, om de mensen aan hun verstand te krijgen dat hij doet wat hij belooft. Dit klinkt niet erg hoopgevend voor ons mensen, maar dit wijst ons tegelijk op onze vooringenomenheid. We denken te weten wat we weten. Te zien wat we kunnen zien. En daarin zijn we niet minder menselijk dan Thomas, van wie wordt gezegd dat hij ongelovig was omdat hij niet kon geloven zonder eerst Jezus gezien te hebben.
Pas bij het breken van het brood, treedt voor de Emmausgangers het feest der herkenning op: ja, zo deed Jezus zelf dat altijd. In dat brood breken lezen we iets terug van Jezus mededeelzaamheid. Van zijn lijden, van zijn overgave, van zijn solidariteit met de hongerigen. Van zijn gewoonte te eten met de verdrukten, tollenaars.
Alsof hij met dit alles zeggen wil: het is nog niet te laat. Wie in mij gelooft, zal het koninkrijk beerven, zoals hij eerder beloofde. Ook al geloven we niet wat we zien, kunnen we maar moeilijk al die wonderen voor waar aannemen, voor God is het nooit te laat om je naar hem toe te wenden. Want , in de ontmoeting met hem, wendt hij zich naar ons toe.
Iemand vertelde mij eens, dat ze in de strijd tegen een ziekte die haar moedeloos maakte, een visioen had gehad. Maar ze twijfelde eraan of ze dat zo moest noemen. En of ze de stem van God daarin wel mocht herkennen. Wat ze aanmoest met dat, wat ze dacht van God gehoord te hebben. Anderen zouden haar maar vreemd vinden, want op die manier was ze nooit met het geloof bezig geweest. Ik vond dat een heel moeilijke vraag. Immers, wij kunnen zelf niet beoordelen voor een ander of God hen heeft ontmoet. Je kunt de ander nooit de maat nemen en als het ware zijn of haar geloof peilen. Dat is alleen aan God.
Het verhaal van de Emmausgangers hielp ons verder. Immers, zij hadden niet gevraagd om een ontmoeting met Jezus. Zij waren wel in nood maar dachten dat de hulp en oplossing op een andere manier nabij waren geweest. Een opstanding pas na drie dagen, dat duurde hen te lang. Dus toen ze het minst erop waren voorbereid, kregen ze waar ze niet om hadden gevraagd. In plaats van zich daartegen te verzetten, herkenden ze wat Jezus hen had willen zeggen. Of hij nu verscheen in een droomwereld, of in werkelijkheid; voor hen was hij werkelijk en zijn beloften niet minder. Waarachtig, de Heer is opgewekt. Was het niet hartverwarmend, of: brandde ons hart niet in ons?
Deze vertelling kan houvast bieden door juist daar op te letten. Bij wat als ontmoeting met God wordt gevoeld, zal je hart zich verwarmen aan de troost van de belofte. Een belofte die je misschien was vergeten. Dat, waar je niet meer op wachtte. Of dat, waar je niet om gevraagd had. God laat zich kennen op zijn manier, op zijn tijd, maar dat is dan ook een echt kennen. Niet meer en niet minder. Want God is trouw tot in eeuwigheid. De Heer is waarlijk opgestaan.
zondag 5 oktober 2008
Zoektocht naar de eeuwigheid - Markus 10
Markus 10:17-27
Een zoektocht naar de Eeuwigheid. Dat is waar de evangelielezing van vandaag ons brengt. De vraag naar het eeuwige leven. Is dat vragen naar de bekende weg?
Is dat vragen naar het eeuwige waarom? Waarom is er zoveel mis op aarde terwijl wij met zovelen streven naar het goede? Is het aardse goed niet goed genoeg?
De man die naar Jezus komt met deze moeilijke vraag, zal zich ervan bewust zijn dat hij iets vraagt waar velen graag een antwoord op willen. Hoe weet ik zeker dat ik krijg waar ik voor werk? De Torah, die deze man laat zien goed te kennen, veel vraagt van een mens. Alle geboden moeten worden onderhouden. Geboden die vertellen hoe met je naaste om te gaan, met God, met je leefomgeving, met geld, met je lichaam. De vraag ‘wat moet ik doen’ klinkt vanzelfsprekend uit de mond van de jongeman uit Markus. De Torah vraagt immers om een actieve inzet: geboden zijn geen dorre regels, maar aanwijzingen hoe te handelen. Hij vraagt niet: wat moet ik weten of wat kan ik weten, maar hij staat als het ware te popelen om actie te ondernemen. Hij lijkt niet te twijfelen aan zijn kunnen. Immers, God schiep de mens naar zijn beeld en alles wat in ons verborgen ligt, kan werkelijk worden door geloof en vertrouwen. God schiep ons met al onze ontwikkelingmogelijkheden.
Voordat we Jezus antwoord verder op ons in laten werken, wil ik eerst hierbij stil staan.
De vraag ‘wat moet ik doen’ is een begrijpelijke vraag. We zijn gezegend met lichaam en geest en willen graag ons inzetten voor datgene waarvoor we verantwoordelijk zijn gesteld. Iedere ochtend, als het licht weer vroeg doorbreekt in deze zomertijd, toont de natuur ons dat het tijd is om op te staan, om iets te ondernemen, om af te maken wat bleef liggen of te doen wat we gewend zijn. Des te onbegrijpelijker is het, als we ineens iets niet meer kunnen. Als onze mogelijkheden ingeperkt zijn. Als onze dagelijkse routine niet meer voldoet, omdat we het geestelijk niet meer kunnen dragen. Als onze energie ons in de steek laat, als wij of onze geliefden ineens ziek worden. Ellendig en arm zijn we en vragen luid om hulp, zoals de Psalmist dichtte.
Is het dan te gemakkelijk om te spreken van Gods erbarmen? Van het koninkrijk dat ook wij zullen beërven?
In de tekst die we vanmorgen lezen, wordt een dringende vraag gesteld. Niet door iemand die hulpbehoevend is, maar door iemand die vanuit overvloed van kennis en bezittingen wil doordringen in het ware, in het goddelijke: hoe kan ik deelhebben aan het koninkrijk van God? Dit betekent niet dat overvloed een voorwaarde is om deze vraag te stellen.
Ik heb door mijn werk als geestelijk verzorger in een ziekenhuis van nabij kunnen ervaren dat juist vanuit lijden de vraag gesteld wordt: hoe kan ik nog deelhebben aan dit leven? Welke plaats is er voor mij, wat heeft God met mij voor? Ik leerde dat voor het stellen van deze vragen oneindig veel tijd en ruimte nodig is. Als een mens de ander nabij kan zijn in het verwoorden van de meest diepgevoelde verlangens, angsten, dan ontstaat er ruimte om Gods antwoord aan ons daar aanwezig te luisteren.
In de Schrift weerklinkt God’s belofte aan zijn volk voor wie zijn geboden onderhoudt:
‘De Here zal u gewis zegenen in het land, dat de Here uw God u als erfdeel in bezit zal geven. Wees mild en gul naar je broeder en heb God lief.’
Jezus antwoord wijst in deze richting, waarmee hijzelf een levend teken van Gods belofte is:
Eerst moet je je aan de geboden houden. Deze geboden maken het leven en samenleven mogelijk. Dan vraagt hij een stap verder te gaan. Geloof is altijd een stap verdergaan, het onmogelijke van jezelf verlangen, wetende dat voor God alles mogelijk is.
‘Ga heen, verkoop alles wat je hebt en geef het aan de armen en je zult een schat in de hemel hebben.’ In dit antwoord ligt bijzonder veel besloten. Ga heen, blijf niet staan kijken en afwachten tot hier wat gebeurt, maar onderneem zelf iets.
Wees niet bezorgd om aardse bezittingen, klinkt het bij Lukas, De vader weet wat u behoeft. Rijkdom is in God voor wie op hem vertrouwt. Hoe menselijk is het om meer te willen!
Wij beschouwen ‘groei’ als iets goeds. Maar soms is er sprake van wildgroei of scheefgroei, dan rest alleen het vertrouwen op rechtvaardigheid die alles rechttrekt.
Jezus roept hier op tot iets ongehoords. Aalmoezen geven aan de armen, dat is bekend. Maar alles weggeven? Aan de armen?
Rijkdom vormt een gevaar in de ogen van Jezus; het leidt af van het koninkrijk van God. Niet voor niets zegt hij dat het voor de rijken zeer moeilijk zal zijn.
Latere christenen hebben dit zeer letterlijk ter harte genomen en de kloosters die zij stichtten zijn hier een voorbeeld van. Met name Franciscus van Assisi. Hij besteedde alle tijd die hij had aan gebed en predikend rondreizen. Hij had afstand gedaan van nagenoeg alle bezittingen en heeft zijn leven lang in absolute soberheid, zonder voldoende kleding en eten en drinken, doorgebracht. Uit zijn levensverhaal en de legenden daaromheen blijkt dat zelfgekozen armoede de weg vrijmaakt voor een vergeestelijkt leven. Gebed, meditatie, samenzijn kenmerkten zijn dagelijks ritme. Zijn leven was ook vol conflicten met omstanders en kerkelijk leiders die niet konden geloven dat het evangelie zo moest worden uitgelegd. De weg van armoede lijkt een weg van conflict, van opoffering.
Wat Jezus vraagt, duidt hier op. Het koninkrijk binnengaan is een weg afleggen waar afzien evengoed een plek heeft als voldaan zijn. Waar perfectie naast lijden bestaat. Het is geen stap over de drempel naar een paradijs, het is langzaam, langzaam groeien.
Jezus zelf is hierin een voorbeeld: zijn tijd op aarde was beperkt, hij heeft die doorgebracht met de dood voor ogen. Maar hij gaf alles weg: geen loze woorden, maar soms harde en ware woorden, genezende aanwezigheid. Hij was arm in economisch opzicht, maar ook omdat hij afzag van macht. Hij was machteloos en wil daarin ons tot voorbeeld zijn. In machteloosheid kan gekwetstheid overheersen. Je hebt weinig meer te zeggen over de invulling van je leven, zo lijkt het althans, bijvoorbeeld als je werkloos bent. Als je ernstig ziek ben en mensen of instanties om je heen bepalen wat goed voor je is. Om die gekwetstheid te overwinnen lijkt een gemakkelijke uitweg die van het heroveren van macht en controle. De man in dit verhaal denkt dat het voor hem onmogelijk is om zijn bezit, zijn macht op te geven. Dan wordt hij gelijk aan de armsten, de machtelozen.
De tekst van het evangelie is in de geschiedenis vaak terzijde geschoven als te radicaal. Of juist wel opgenomen en voor een ideologisch karretje gespannen. De moedeloosheid van de man is als voorbeeld gebruikt van hoe een echte Christen niet zou moeten reageren. Een bij uitstek sociaal bewogen christendom kan zich beroepen op de oproep van Jezus Christus werkelijk alles weg te geven. Maar in deze ideologie ontbreekt het wezenlijke van het evangelie: het verhaal van de vergevende God die oproept tot geloof in Hem, die aanspraak op ons maakt, ons toespreekt en vraagt of we in woord en daad willen luisteren. Willen luisteren naar de stem van de minsten van onze broeders. Geef wat je kunt, zonder angst dat je tekort komt. Verbruik niet meer dan je zelf nodig hebt. Het roept ons op te geloven, te delen, te vertouwen. Niet op een berekenende wijze: als ik zoveel procent weggeef, hou ik nog zoveel over.. Maar op een allesomvattende manier. Jezus armoede was van de wereld, zijn rijkdom van Gods Koninkrijk.
Hij toont ons, dat vanuit machteloosheid, vanuit armoede, een enorme rijkdom kan ontstaan. Het is niet nodig verslagen achter te blijven.
Want het godsgeschenk dat leven heet, is ons ten deel gevallen door de weg die Jezus is gegaan. Voor God zijn we wie we zijn: zichtbaar en mens. Hij vraagt niet het onmogelijke. Hij onderschat ons ook niet. De eerste christenen hebben de radicale oproep tot het volgen van Christus letterlijk genomen. Bekeren betekent letterlijk omkeren. Omkeren om een nieuwe weg in te slaan. niet om alles nietig te verklaren, de wereld de rug toe te keren, maar om in de wereld het goede te doen. Zoals het beloofde land beërfd werd door het volk Israël, zo is het eeuwig leven een geschenk van God. In de opstanding van de doden zal een eeuwig leven ons ten deel vallen.
Geloven in Gods toekomst, zijn Rijk, berust niet op een magische handeling. Het is geen gemakkelijk: vraagt en u zal gegeven worden. De richter Jefta had in vroeger tijden in alle vertrouwen op een goede afloop van de strijd de belofte aan God gedaan, het eerste wat op zijn weg kwam, te offeren. Dat offer blijkt bovenmenselijk: zijn eigen dochter. Bij Markus lezen we geen blind vertrouwen, maar een weloverwogen keuze, een daad die veel tegelijk in beweging zet: de man wil het eeuwige leven beerven, de armen krijgen een plaats onder de zon en God krijgt de eer die Hem toekomt.
Deze oproep geldt elke dag opnieuw. Het verwijst niet naar wat wij zouden kunnen, maar naar wat moeten doen. En daar voel je misschien al de weerstand: ik moet al zo veel. Een goed mensen zijn, de geboden onderhouden, mijn eigen gezondheid en welzijn en die van anderen bewaken. Elke dag opnieuw staan we voor een immens avontuur dat leven heet. Sommigen lijkt het gemakkelijk te vergaan. Geld gezondheid en talenten in overvloed. Laten we ons niet blindstaren op wat een ander heeft. God heeft ieder een plek gegeven, niemand hoeft in de schaduw van een ander te staan.
Mens, durf te leven. Durf op je eigen benen te staan, want je zult niet vallen. Deel in je overvloed. De rijke wordt gevraagd te delen in geld, rijkdom. De kunstenaar in kunst. Degene die rust heeft, in tijd, degenen met kennis in het verder dragen van die kennis. En degenen die denkt niets meer te kunnen, mag delen en ontvangen maar wordt ook opgeroepen iets weg te geven: hoop aan de hulpelozen, moed aan de moedelozen, geloof aan de ongelovigen. Hoop op een nieuwe toekomst, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. het rijk van God is vervuld van het goede, waar een ieder in mag delen.
Want alle dingen zijn mogelijk bij God. God is rijk in goedertierenheid voor allen die Hem aanroepen.
Een zoektocht naar de Eeuwigheid. Dat is waar de evangelielezing van vandaag ons brengt. De vraag naar het eeuwige leven. Is dat vragen naar de bekende weg?
Is dat vragen naar het eeuwige waarom? Waarom is er zoveel mis op aarde terwijl wij met zovelen streven naar het goede? Is het aardse goed niet goed genoeg?
De man die naar Jezus komt met deze moeilijke vraag, zal zich ervan bewust zijn dat hij iets vraagt waar velen graag een antwoord op willen. Hoe weet ik zeker dat ik krijg waar ik voor werk? De Torah, die deze man laat zien goed te kennen, veel vraagt van een mens. Alle geboden moeten worden onderhouden. Geboden die vertellen hoe met je naaste om te gaan, met God, met je leefomgeving, met geld, met je lichaam. De vraag ‘wat moet ik doen’ klinkt vanzelfsprekend uit de mond van de jongeman uit Markus. De Torah vraagt immers om een actieve inzet: geboden zijn geen dorre regels, maar aanwijzingen hoe te handelen. Hij vraagt niet: wat moet ik weten of wat kan ik weten, maar hij staat als het ware te popelen om actie te ondernemen. Hij lijkt niet te twijfelen aan zijn kunnen. Immers, God schiep de mens naar zijn beeld en alles wat in ons verborgen ligt, kan werkelijk worden door geloof en vertrouwen. God schiep ons met al onze ontwikkelingmogelijkheden.
Voordat we Jezus antwoord verder op ons in laten werken, wil ik eerst hierbij stil staan.
De vraag ‘wat moet ik doen’ is een begrijpelijke vraag. We zijn gezegend met lichaam en geest en willen graag ons inzetten voor datgene waarvoor we verantwoordelijk zijn gesteld. Iedere ochtend, als het licht weer vroeg doorbreekt in deze zomertijd, toont de natuur ons dat het tijd is om op te staan, om iets te ondernemen, om af te maken wat bleef liggen of te doen wat we gewend zijn. Des te onbegrijpelijker is het, als we ineens iets niet meer kunnen. Als onze mogelijkheden ingeperkt zijn. Als onze dagelijkse routine niet meer voldoet, omdat we het geestelijk niet meer kunnen dragen. Als onze energie ons in de steek laat, als wij of onze geliefden ineens ziek worden. Ellendig en arm zijn we en vragen luid om hulp, zoals de Psalmist dichtte.
Is het dan te gemakkelijk om te spreken van Gods erbarmen? Van het koninkrijk dat ook wij zullen beërven?
In de tekst die we vanmorgen lezen, wordt een dringende vraag gesteld. Niet door iemand die hulpbehoevend is, maar door iemand die vanuit overvloed van kennis en bezittingen wil doordringen in het ware, in het goddelijke: hoe kan ik deelhebben aan het koninkrijk van God? Dit betekent niet dat overvloed een voorwaarde is om deze vraag te stellen.
Ik heb door mijn werk als geestelijk verzorger in een ziekenhuis van nabij kunnen ervaren dat juist vanuit lijden de vraag gesteld wordt: hoe kan ik nog deelhebben aan dit leven? Welke plaats is er voor mij, wat heeft God met mij voor? Ik leerde dat voor het stellen van deze vragen oneindig veel tijd en ruimte nodig is. Als een mens de ander nabij kan zijn in het verwoorden van de meest diepgevoelde verlangens, angsten, dan ontstaat er ruimte om Gods antwoord aan ons daar aanwezig te luisteren.
In de Schrift weerklinkt God’s belofte aan zijn volk voor wie zijn geboden onderhoudt:
‘De Here zal u gewis zegenen in het land, dat de Here uw God u als erfdeel in bezit zal geven. Wees mild en gul naar je broeder en heb God lief.’
Jezus antwoord wijst in deze richting, waarmee hijzelf een levend teken van Gods belofte is:
Eerst moet je je aan de geboden houden. Deze geboden maken het leven en samenleven mogelijk. Dan vraagt hij een stap verder te gaan. Geloof is altijd een stap verdergaan, het onmogelijke van jezelf verlangen, wetende dat voor God alles mogelijk is.
‘Ga heen, verkoop alles wat je hebt en geef het aan de armen en je zult een schat in de hemel hebben.’ In dit antwoord ligt bijzonder veel besloten. Ga heen, blijf niet staan kijken en afwachten tot hier wat gebeurt, maar onderneem zelf iets.
Wees niet bezorgd om aardse bezittingen, klinkt het bij Lukas, De vader weet wat u behoeft. Rijkdom is in God voor wie op hem vertrouwt. Hoe menselijk is het om meer te willen!
Wij beschouwen ‘groei’ als iets goeds. Maar soms is er sprake van wildgroei of scheefgroei, dan rest alleen het vertrouwen op rechtvaardigheid die alles rechttrekt.
Jezus roept hier op tot iets ongehoords. Aalmoezen geven aan de armen, dat is bekend. Maar alles weggeven? Aan de armen?
Rijkdom vormt een gevaar in de ogen van Jezus; het leidt af van het koninkrijk van God. Niet voor niets zegt hij dat het voor de rijken zeer moeilijk zal zijn.
Latere christenen hebben dit zeer letterlijk ter harte genomen en de kloosters die zij stichtten zijn hier een voorbeeld van. Met name Franciscus van Assisi. Hij besteedde alle tijd die hij had aan gebed en predikend rondreizen. Hij had afstand gedaan van nagenoeg alle bezittingen en heeft zijn leven lang in absolute soberheid, zonder voldoende kleding en eten en drinken, doorgebracht. Uit zijn levensverhaal en de legenden daaromheen blijkt dat zelfgekozen armoede de weg vrijmaakt voor een vergeestelijkt leven. Gebed, meditatie, samenzijn kenmerkten zijn dagelijks ritme. Zijn leven was ook vol conflicten met omstanders en kerkelijk leiders die niet konden geloven dat het evangelie zo moest worden uitgelegd. De weg van armoede lijkt een weg van conflict, van opoffering.
Wat Jezus vraagt, duidt hier op. Het koninkrijk binnengaan is een weg afleggen waar afzien evengoed een plek heeft als voldaan zijn. Waar perfectie naast lijden bestaat. Het is geen stap over de drempel naar een paradijs, het is langzaam, langzaam groeien.
Jezus zelf is hierin een voorbeeld: zijn tijd op aarde was beperkt, hij heeft die doorgebracht met de dood voor ogen. Maar hij gaf alles weg: geen loze woorden, maar soms harde en ware woorden, genezende aanwezigheid. Hij was arm in economisch opzicht, maar ook omdat hij afzag van macht. Hij was machteloos en wil daarin ons tot voorbeeld zijn. In machteloosheid kan gekwetstheid overheersen. Je hebt weinig meer te zeggen over de invulling van je leven, zo lijkt het althans, bijvoorbeeld als je werkloos bent. Als je ernstig ziek ben en mensen of instanties om je heen bepalen wat goed voor je is. Om die gekwetstheid te overwinnen lijkt een gemakkelijke uitweg die van het heroveren van macht en controle. De man in dit verhaal denkt dat het voor hem onmogelijk is om zijn bezit, zijn macht op te geven. Dan wordt hij gelijk aan de armsten, de machtelozen.
De tekst van het evangelie is in de geschiedenis vaak terzijde geschoven als te radicaal. Of juist wel opgenomen en voor een ideologisch karretje gespannen. De moedeloosheid van de man is als voorbeeld gebruikt van hoe een echte Christen niet zou moeten reageren. Een bij uitstek sociaal bewogen christendom kan zich beroepen op de oproep van Jezus Christus werkelijk alles weg te geven. Maar in deze ideologie ontbreekt het wezenlijke van het evangelie: het verhaal van de vergevende God die oproept tot geloof in Hem, die aanspraak op ons maakt, ons toespreekt en vraagt of we in woord en daad willen luisteren. Willen luisteren naar de stem van de minsten van onze broeders. Geef wat je kunt, zonder angst dat je tekort komt. Verbruik niet meer dan je zelf nodig hebt. Het roept ons op te geloven, te delen, te vertouwen. Niet op een berekenende wijze: als ik zoveel procent weggeef, hou ik nog zoveel over.. Maar op een allesomvattende manier. Jezus armoede was van de wereld, zijn rijkdom van Gods Koninkrijk.
Hij toont ons, dat vanuit machteloosheid, vanuit armoede, een enorme rijkdom kan ontstaan. Het is niet nodig verslagen achter te blijven.
Want het godsgeschenk dat leven heet, is ons ten deel gevallen door de weg die Jezus is gegaan. Voor God zijn we wie we zijn: zichtbaar en mens. Hij vraagt niet het onmogelijke. Hij onderschat ons ook niet. De eerste christenen hebben de radicale oproep tot het volgen van Christus letterlijk genomen. Bekeren betekent letterlijk omkeren. Omkeren om een nieuwe weg in te slaan. niet om alles nietig te verklaren, de wereld de rug toe te keren, maar om in de wereld het goede te doen. Zoals het beloofde land beërfd werd door het volk Israël, zo is het eeuwig leven een geschenk van God. In de opstanding van de doden zal een eeuwig leven ons ten deel vallen.
Geloven in Gods toekomst, zijn Rijk, berust niet op een magische handeling. Het is geen gemakkelijk: vraagt en u zal gegeven worden. De richter Jefta had in vroeger tijden in alle vertrouwen op een goede afloop van de strijd de belofte aan God gedaan, het eerste wat op zijn weg kwam, te offeren. Dat offer blijkt bovenmenselijk: zijn eigen dochter. Bij Markus lezen we geen blind vertrouwen, maar een weloverwogen keuze, een daad die veel tegelijk in beweging zet: de man wil het eeuwige leven beerven, de armen krijgen een plaats onder de zon en God krijgt de eer die Hem toekomt.
Deze oproep geldt elke dag opnieuw. Het verwijst niet naar wat wij zouden kunnen, maar naar wat moeten doen. En daar voel je misschien al de weerstand: ik moet al zo veel. Een goed mensen zijn, de geboden onderhouden, mijn eigen gezondheid en welzijn en die van anderen bewaken. Elke dag opnieuw staan we voor een immens avontuur dat leven heet. Sommigen lijkt het gemakkelijk te vergaan. Geld gezondheid en talenten in overvloed. Laten we ons niet blindstaren op wat een ander heeft. God heeft ieder een plek gegeven, niemand hoeft in de schaduw van een ander te staan.
Mens, durf te leven. Durf op je eigen benen te staan, want je zult niet vallen. Deel in je overvloed. De rijke wordt gevraagd te delen in geld, rijkdom. De kunstenaar in kunst. Degene die rust heeft, in tijd, degenen met kennis in het verder dragen van die kennis. En degenen die denkt niets meer te kunnen, mag delen en ontvangen maar wordt ook opgeroepen iets weg te geven: hoop aan de hulpelozen, moed aan de moedelozen, geloof aan de ongelovigen. Hoop op een nieuwe toekomst, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. het rijk van God is vervuld van het goede, waar een ieder in mag delen.
Want alle dingen zijn mogelijk bij God. God is rijk in goedertierenheid voor allen die Hem aanroepen.
Abonneren op:
Berichten (Atom)